De vakwerkbouw bestaat uit een zelfdragende constructie van eiken balken welke in elkaar gepend zijn met gat verbinding en getoogd met 1 of meerdere toognagels of pinnen.
Er is een geheel overkoepelende beplankte dakbedekking op de eiken kepers waarover een waterdicht onderdak is afgedekt.
Hierover zit een regelwerk van panlatten waarover de 18de eeuwse tegelpannen in verband gelegd zijn en zo 3 dubbel dekkend is.
Het vakwerk in zijn geheel steunt op een gemetselde onderboord in paepesteentjes van Antwerpse en Boomse afkomst.
18de eeuwse vakwerkbouwen werden reeds in de middeleeuwen in de steden geplaatst. Vooral het Duitse- en Eifelgebieden had een eigen stijl.
In de Kempen, Limburg en Hollands Limburg kwam veelal in de 17de en 18de eeuw vakwerk voor. Hier vooral in de fruitstreken o.a. Borgloon, Wellen, Alken enz.
De muren van dit gebouw zijn opgetrokken met spouwmuren en bepleisterd met een buitenleemlaag met stro zoals in de 18de eeuw om het authentieke karakter weer te geven.